Fin-de-Siècle museum in Brussel

Datum : 09 december 2013
U kan de PDF van het artikel hier downloaden

Een nieuw museum in België is geen alledaagse gebeurtenis. Het Fin-de-Siècle museum in Brussel was reeds lang aangekondigd maar werd verschillende malen uitgesteld. Vier jaar na het Magritte museum kreeg het museum onderdak in de ruimtes van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten (KMSKB) op de Kunstberg en niet in het Jubelpark museum. Bij de opening deelde directeur Michel Draguet mede dat het “derde luik” met de collectie moderne kunst een onderdak zal vinden in het voormalige Vanderborght gebouw nabij de Sint-Hubertusgalerij.

Brussel was rond 1900 een belangrijk kunstencentrum in Europa. Het initiatief om een themamuseum uit te bouwen dat meer wil zijn dan een kunstmuseum was het opzet. Hoe kan men de collectie van topstukken uit deze periode inpassen binnen een bredere maatschappelijke, culturele verhaal? Hoe de omwenteling tonen van de Belgische context rond 1900? Hoe bij de bezoekers inzicht en voeling overbrengen hoe kunstenaars erin zijn geslaagd om tijdsgeest, kritiek, bewondering en ambitie te visualiseren? Vanuit dit concept kan men zich niet beperken tot schilder- en beeldhouwkunst maar zijn andere disciplines als fotografie, bouwkunst, grafische vormgeving, opera van essentieel belang om een tijdsevolutie te evoceren.
Het was een gelukzalig gevoel om een aantal topwerken terug te zien maar van een sterk concept om de essentie van de Fin-de-Siècle periode te ervaren is geen sprake. Er zijn bij de opstelling wel een aantal boeiende ensembles te zien, bij het groeperen van een aantal werken ontstonden interessante clusters. De wijze waarop het werk van Constantin Meunier samen gaat met de doeken van Laermans is sterk.

Het geheel blijft te veel een kunstmuseum en maakt haar ambitie niet waar. De ordening gebeurde louter vanuit kunsthistorische categorieën; van realisme naar sociaal-realisme, van neo- & post-impressionisme naar symbolisme met daartussen meesterlijk werk van Ensor dat men onder geen -isme kan plaatsen. Men kon toch verwachten dat voor een “themamuseum” er een grotere gelaagdheid zou worden aangebracht om het geheel een noodzakelijke ruggengraat te geven. In zijn studie over de Art Nouveau heeft Francis Strauven duidelijk aangetoond dat deze vernieuwende beweging in Brussel te situeren valt tussen 1893 en 1901, tussen twee belangrijke stakingen gekoppeld aan een groot maatschappelijk debat en inzet. Een periode waarin een samenwerking ontstond tussen de socialisten en de progressieve liberalen, een korte tijdsperiode waarin een geloof aanwezig was om tot een betere samenleving te komen met een nieuwe openheid tussen de maatschappelijke klassen. Het Volkshuis en de andere werken van Horta zijn meer dan constructies met kronkelende natuurmotieven, het toont het streven en de droom naar een nieuwe en open samenleving die er uiteindelijk niet zal komen. Strauven verwijst ook naar de anarchistische onderstroom die in Brussel aanwezig was en die de impulsen gaf aan de kunstproductie . Aan dergelijke aspecten om de tijdsgeest te vatten wordt geen aandacht besteed.
De bezoeker zal zich in de eerste zaal onmiddellijk de vraag stellen wat het grote doek met veel heren erop, een werk uit 1868 van de schilder Edmond Lambricht, komt doen in een museum dat opteerde om het einde van de 19de eeuw te belichten? Men had beter direct kunnen beginnen met de kunstverenigingen Les XX en La Libre Esthétique! Bij combineren van chronologie van de kunstrichting en de zaalopdeling ontstaat ook verwarring. Voor dat men de indrukwekkende zaal van het symbolisme met de schitterende Khnopff ‘s betreedt ziet men een werk van Rik Wouters.

Een gebouw met meer beperkingen dan mogelijkheden
__
De uitbreiding van het KMSKB in de jaren’80 door architect Roger Bastin is een verhaal op zich. Het eerste museum in België gebouwd als een kelder is een compromis van een compromis. Actiegroepen in Brussel wilden geen nieuwbouw op de Kunstberg en Bastin werd verplicht zijn museum compleet te herwerken. Om de ondergrondse oplossing toch enig karakter te geven introduceerde Bastin de lichtput om aan de bezoekers enige oriëntatie te geven en om een evenwicht te vinden tussen daglicht en kunstlicht. Bij de nieuwe herinrichting door de Regie der Gebouwen werd er alles aangedaan om het daglicht te elimineren. Voor de lichtput werden hoge wanden geplaatst. Men loopt constant in een donkere ondergrondse kelder voorzien van nieuwe verlichtingstechnieken. De keuze om de wanden een kleur te geven in plaats van het neutrale wit versterkt de donkere sfeer. De “ondergrondse luxegarage” van het KMSKB blijft op museografisch vlak erg problematisch.

Van een inventieve, frisse museografie is geen sprake. Het is saai, wat in contrast staat met de intellectuele energie die het werk uit die periode uitstraalt. Hoe verder het parcours, hoe problematischer het wordt. In de onderste verdieping is de collectie Gillion-Crowet tentoongesteld, een ensemble die de Brusselse bouwondernemer Gillion samen met zijn vrouw bij elkaar bracht. De collectie kwam in het bezit van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in ruil voor de te betalen 22 miljoen successierechten. De presentatie is hier echt oubollig. Men krijgt de indruk dat men hier vergat een presentatieconcept te maken en dat men vlug aan een schrijnwerker heeft gevraagd een aantal sokkels en kasten te timmeren. Het koppel eiste dat hun collectie in het KMSKB zou komen en niet in het Jubelpark. Het was beter geweest om een aantal collectiestukken te integreren in het gehele parcours. De Art-Nouveau kunstenaars streefden naar een synthese tussen kunst en het dagelijks leven wat nu in het museumconcept wordt vernietigd. Wat een gebrek aan historisch inzicht!

De architectuur rond 1900 werd zeer stiefmoederlijk behandeld terwijl de bouwkunst een wezenlijk deel is van de culturele omwenteling. In een smalle gang zijn uitvergrote, meestal postkaarten, aangebracht van Brussel, Antwerpen, Luik , Gent en Oostende. Deze circulatie zone laat nauwelijks toe de foto’s aandachtig te bekijken. Postkaarten als behangpapier en geen toelichting waarom deze beelden werden gekozen. Op de foto van de Ambiorix Square staat het meesterwerk van Victor Horta, het woonhuis Van Eetvelde, maar half afgebeeld. Men stelde zich nauwelijks vragen, afdrukken en opkleven en daarmee is het klus klaar. Voor de architectuur koos men voor computer simulaties die zijn opgesteld achter de wanden. Veel bezoekers zullen de plaatsing nauwelijks opmerken. Beeldschermen in tegenlicht plaatsen is zeker niet de beste keuze. Het Jubelpark museum, dat ook onder de bevoegdheid staat van Michel Draguet, heeft een unieke collecte architectuurtekeningen waaronder het gehele archief van Paul Hankar. Waarom kreeg in dit Fin-de-Siècle museum de bouwkunst geen afzonderlijk kabinet waar de kracht van de tekening tot uiting kon komen? Fin-de-Siècle bouwkunst is niet enkel de Art-Nouveau architectuur tussen 1893 en 1901, maar ook wat er juist voor en achter komt. De bezoeker komt buiten met het idee dat de Art Nouveau architectuur de gehele periode is, van 1880 tot 1914. Dergelijke grove fouten zijn onverantwoord voor een themamuseum.

De nieuwe bezoekersgids is ronduit beschamend. Als men weet dat de avant-garde rond 1900 veel zorg besteedde aan grafische vormgeving is deze gids een vlug in elkaar gestoken drukwerk, onwaardig voor een Koninklijk Museum voor Schone Kunsten. Kunstwerken zijn afgesneden om te passen in het gekozen formaat. Waarom het museum in zee is gegaan met de Franse uitgeverij Hazan, een filiaal van de Groupe Hachette, is ook erg onduidelijk. Belgische uitgevers reeds hebben bewezen dat zij zeer behoorlijk museumgidsen kunnen uitgeven, veel beter dan wat nu aan de bezoeker wordt aangeboden. Waarom voor de cover een werk werd gekozen voor Mucha terwijl het accent van het museum ligt op de Belgische bijdrage rond 1900 verhoogt nog extra de reeds aanwezige verwarring. Directeur Draguet zal hiervoor zeker een antwoord kunnen geven maar voor de grafische kwaliteit en de museografisch presentatie had hij een betere keuze kunnen maken. Nogmaals, in het nieuw museum zijn meesterwerken te zien maar van een museumconcept is er geen sprake. Wat de inbreng is geweest van het bureau Base Design op de museografische presentatie is niet duidelijk. In de perstekst wordt verwezen naar hun grafische kwaliteiten.

De eerste reacties waren negatief voor de presentatiewijze. Voor Erik Rinckhout is het glashelder “Ceci n’est pas un musée”. Ook de teneur van Jan Van Hove’s titel in De Standaard was veelzeggend: “Een sombere schatkamer”. Michel Draguet is vermoedelijk een zeer handige man die zelfs twee musea gelijktijdig kan besturen, maar met museografie heeft hij nauwelijks voeling. Het plaatsen van kunstwerken in een ruimte is een uiterst moeilijke aangelegenheid en dit is in het nieuw museum erg problematisch.
Op federaal niveau hebben wij geen minister van Cultuur, wel een Staatssecretaris voor Federaal Wetenschapsbeleid met een bevoegdheid o.a. over het KMSKB. De beslissingen voor het museumgebouw worden genomen door de Regie der Gebouwen die in het verleden zelden interesse heeft getoond voor architectonische cultuur. Een museum moet meer zijn dan een verzameling van topstukken zeker wanneer men kiest voor een themaconcept.

Marc Dubois




Duitsland & Gent 1913

Datum : 09 december 2013
U kan de PDF van het artikel hier downloaden

Duitsland aanwezig op de Gentse wereldexpositie 1913

“Ein modernisierten Klassizismus”

In de verschillende publicaties verschenen in 2013 naar aanleiding van de viering van de honderdste verjaardag van de Gentse Wereldexpositie wordt gewezen op de negatieve kritiek die het Duits paviljoen kreeg van het groot publiek en dit in tegenstelling tot de positieve geluiden bij vele architecten. Ook het contrast met het nabijgelegen paviljoen van de stad Parijs, een variant van Le Petit Palais, versterkte het visueel contrast. Van waar de felle negatieve reacties op het exterieur van de “Deutsche Halle”? Is onze kijk en oordeel op dit paviljoen niet zwaar bepaald door de verwantschap met de architectuur die het Nationaal Socialisme van Adolf Hitler verdedigde in de jaren ’30?




Le Corbusier & Chandigarh

Datum : 26 oktober 2013
U kan de PDF van het artikel hier downloaden

Tot 8 december kan men in Kortrijk terecht voor de manifestatie “De MAAKbar”, in de Buda-fabriek en de Paardenstallen.
Een onderdeel gaat over “De Maakbaarheid van de Stad” met twee luiken: Kortrijk & Eurometropool en de Indische stad Chandigarh.
Het project rond Chandigarh, de nieuwe stad ontworpen door Le Corbusier, is het resultaat van twee reizen die de vereniging Archipel organiseerde in het voorjaar 2013. De expositie is een reflectie rond de mogelijkheid of onmogelijkheid om een nieuwe stad te ontwerpen. De vraag naar de maakbaarheid staat centraal. Deze expositie past ook in het geheel van Europalia India 2013.
Meer info: www.buda-eiland.be

Toen ik in februari Chandigarh bezocht dacht ik direct aan de Italiaanse stad Pisa, aan het monumentaal geheel van de Campo dei Miracoli: een open ruimte in de stad met daarin de ommuurde begraafplaats, de campanile (de scheve toren van Pisa), het baptisterium, het ommuurde kerkhof en de Duomo.
In hun boek “Le Corbusier before Le Corbusier” tonen Von Moos en Rüegg aan dat de reizen van de jonge Charles Eduard Jeanneret (Le Corbusier / 1889-1965) vóór 1914 een zeer grote impact hebben gehad op zijn oeuvre, dat zelfs daar de sleutel ligt om zijn latere ontwerpen te begrijpen.
Tussen 1910 en 1915 werkt LC aan een boek dat uiteindelijk niet werd uitgegeven : “La construction des villes”. De bewaard gebleven documenten tonen zijn zeer grote interesse voor de geschiedenis van de stedenbouw. LC maakt ook een reis door Duitsland en bezoekt een aantal steden. In een publicatie van R. Eberstadt uit 1910 “Handbuch des Wohnungswesens und der Wohnungsfrage” staat het grondplan van de Duitse stad Mannheim. De opbouw van de stad is net een lichaam en toont grote gelijkenis met het idee van Chandigarh: een hoofd met de representatieve gebouwen en een rastervormig lichaam.

Aan het begin van zijn eerste Italië reis verblijft LC in september 1907 een paar dagen in Pisa en maakt er verschillende schetsen. In een brief aan zijn leraar Charles L’Eplanttenier in La Chaux-de-Fonds beschrijft hij op een lyrische toon deze site, de bijna magische aantrekkingskracht van deze campo. Niet de scheve toren trekt zijn aandacht, maar het ensemble van gebouwen, autonoom geplaatst, die hij omschrijft als pure, abstracte geometrische volumes.
In 1911 en 1934 komt LC terug naar Pisa. Wanneer hij in 1931 werkt aan het ontwerp voor het Paleis van de Sovjets in Moskou maakt hij schetsen waarin de directe band met Pisa opvalt. In zijn publicatie “Modulor” uit 1948 schetst hij de basiscompositie van zijn voorstel voor het UNO gebouw in New-York en daarbij keert hij terug naar het concept van de Campo in Pisa en naar zijn voorstel voor Moskou.

Het valt bijna niet voor te stellen dat LC niet direct aan zijn geliefde “ Campo dei Miracoli” heeft gedacht toen hij de opdacht kreeg voor de officiële gebouwen in Chandigarh. Eindelijk kreeg hij de kans om zijn “Campo” te ontwerpen, de officiële gebouwen gegroepeerd als een soort hoofd boven het stedelijk patroon van de stad, een verzameling van autonome gebouwen met een onderlinge band en met op de achtergrond de eerste bergen van de Himalaya.
In Pisa staat alles op een horizontaal vlak terwijl LC in Chandigarh een niveauverschil introduceert. Verschillende auteurs benadrukken dat hij een grote fascinatie had voor de historische sites in Indië, in het bijzonder voor de site van Fatehpur Sikri, de Mongoolse stad uit de 16de eeuw. LC bezocht Fatehpur Sikri en kende deze stad ook vanuit publicaties. Het hoofdkenmerk van dit uniek ensemble is de positionering van de volumes ten opzichte van de open ruimte, gecombineerd met watervlakken, waarbij het hoogteverschil wordt benut. Ook in Chandigarh wordt bij de twee hoofdgebouwen gebruik gemaakt van grote watervlakken als weerkaatsende spiegels.
Het totaal ontwerp voor het Capitool werd echter niet gebouwd. De eerste president van India, Nehru, verzette zich tegen de bouw van het groot gouverneursgebouw, in zijn ogen een ondemocratische uitdrukking van de macht van de gouverneur van de deelstaat Punjab.

Het plan van LC werd dus gedeeltelijk “geamputeerd”. Dit vacuüm kan men nog steeds aanvoelen bij een bezoek te plaatse. De harmonie, de onderlinge verhouding tussen de fragmenten die één geheel vormen is verstoord. Ook het introduceren van het niveauverschil ging gedeeltelijk verloren.
Het maakbare ligt in een intelligent historisch bewustzijn. Het nieuwe ligt niet in het “nooit gemaakte”, maar in het transformeren van wat reeds bestaat. Gebouwen verhuizen niet, maar de thema’s die de mens ontwikkelt kan men hernemen. Het verhaal is ook de illustratie van de impact van de opdrachtgever op het eindresultaat. De grote sculptuur van de “open hand” is meer dan een plastische aangelegenheid, zij verwoordt LC’s intellectuele ambitie “de volle hand heb ik gekregen, de volle hand geef ik” .
Marc Dubois




Geen bomen op de Gentse Korenmarkt

Datum : 07 oktober 2013
U kan de PDF van het artikel hier downloaden

Geen bomen op de Gentse Korenmarkt.

Beelden zie PDF.

Volgens Filip Watteeuw, schepen van Openbare Werken(Groen) moeten er op de Gentse Korenmarkt bomen komen. “Vox populi” roept dat de Korenmarkt nu overkomt als een “stenen woestijn”, een “kale plek“die dringend moet worden aangepakt met wat groen.
Toen het masterplan van het KOBRA project werd opgemaakt deden de architecten Robbrecht / Daem / Van Hee grondig historisch onderzoek naar de opeenvolgende stedelijke ruimtes. Zij kwamen tot de vaststelling dat op deze plaats nooit bomen hebben gestaan. Bekijk even de bewaard gebleven postkaarten en foto’s, geen boom te bespeuren. Enkel een kiosk stond er, tot vermaak van de Gentenaars.
Het masterplan werd goedgekeurd en in fazen uitgevoerd. Rekening houdend met de historische context is er een opeenvolging van minerale pleinen en groene accenten. Het kleine gazon van het Emile Braumplein werd vervangen door een “green” die tweemaal maal zo groot is als de oorspronkelijke situatie. In de “green” werden een aantal bomen aangeplant. Het verschil in gebruik tussen de groenstrook die burgemeester Braun liet aanleggen en de nieuwe situatie toont de kracht van het ontwerp Robbrecht / Daem / Van Hee. De architecten zijn dus niet tegen bomen! De partij Groen moet toch even respect opbrengen voor het historisch karakter van Gent. Hun pleidooi om bomen te planten wijst er op dat men ofwel de eigen geschiedenis niet kent of dat men de ontwerpers wil duidelijk maken dat hun ontwerp zware gebreken vertoont.

Men kan niets hebben tegen bomen, maar op deze plaats zijn zij niet wenselijk. Zich durven uitspreken tegen bomen is vandaag ongepast. Men krijgt bijna de stempel van een crimineel, van iemand die opkomt tegen een gezonde stedelijke omgeving. Vanwaar die angst voor een open stedelijke ruimte? Maken bomen een plein gezelliger? Het is erg populistisch om te stellen dat de afwezigheid van groen een “woestijn” oplevert. In zijn reactie in De Gentenaar van 14 september merkt Paul Robbrecht terecht op dat er op het San Marco plein in Venetië of op het magistrale plein in Sienna, beiden op de UNESCO lijst van het werelderfgoed, geen bomen staan. Zijn dit echt onmenselijke, kale stedelijke ruimtes die men bij hoogdringendheid moet aanpakken? Geen enkele toerist mist bomen op het San Marcoplein! Misschien kan men aan de nieuwe Paus Franciscus vragen dat hij ook bomen gaat planten op het Sint Pietersplein in Rome om de leegte wat op te vullen. Op de Brusselse Grote Markt staan er ook geen bomen, is dit dan een tweederangs site in Brussel? Vragen de toeristen naar bomen voor het stadhuis van Brussel?

De oplossing anno 2013 voor de Korenmarkt met palmbomen en olijfbomen in bakken is werkelijk ridicuul, het zijn niet eens inheemse boomsoorten. De vraag is of toekomstige gebruikers van de terrassen zitten te wachten op schaduwrijke bomen op de Korenmarkt. In ons land wil men vooral in de zon zitten, dit is niet zoals in Zuid Europa waar iedereen de schaduw opzoekt. Dat er tijdens de zomermaanden een betere opdeling of begrenzing van de terrassen moet komen valt te begrijpen. Het probleem is dat Groen niet kan zeggen dat men tegen bomen is, anders maken zij zich tegenover toekomstige kiezers ongeloofwaardig. Leg dit maar eens uit aan de bevolking!
Dit was even moeilijk dan bij de bouw van de stadshal, de bevolking duidelijk maken wat het verschil is tussen een “gat in de stad”, dat het resultaat is van twee afbraken, en een kwalitatief stedelijk plein. Een hoofdkenmerk van een authentieke oude Europese stad is de aanwezigheid bezit korte perspectieven en ook stenen pleinen.

Verstandiger is om niet direct een beslissing te nemen en wat geduld uit te oefenen zoals de architecten vragen. Ga eens gaan kijken naar de Franse stad Nancy en het wereldbefaamde Place Stanislas, een plein dat op de UNESCO lijst prijkt. Bij de herinrichting werd beslist om geen bomen te plaatsen, om het plein zijn historische dimensie met een stenen bevloering te behouden. Wel opteerde men om tijdens de zomermaanden groen in bakken te plaatsen in de omgeving van de terrassen, maar dan geen palmbomen zoals de foto’s verduidelijken. Nancy liet dit beplanting niet over aan de café uitbaters. Waarom kan een dergelijke oplossing niet in Gent?
Marc Dubois
16 september 2013.




Valencia & Calatrava

Datum : 15 september 2013
U kan de PDF van het artikel hier downloaden

Valencia & Calatrava
Wat is een ereloon waard?

In De Standaard Weekblad van 11 mei 2013 stond achteraan in de rubriek “Altijd Ergens” van Michiel Hendryckx een foto uit Valencia: de Ciudad de las Artes y las Ciencias van architect Santiago Calatrava (°1951). Ik moet toegeven dat ik ook deze stad steeds heb ontweken, hoe meer Calatrava in Valencia, hoe minder zin ik krijg om deze stad te bezoeken. Dit is geen afkeer voor het werk van Calatrava. Reeds in 1990 bezocht ik zijn eerste werken in Zwitserland met onder andere het schitterend station Stadelhofen in Zürich.
Calatrava is een zeer intelligente man, hij spreekt minstens zes talen. Hij studeerde in zijn geboortestad Valencia en trok in 1975 naar Zwitserland om ingenieursstudies te volgen aan de befaamde ETH Zürich. Wat een uitzonderlijke samenkomst; iemand met Spaanse roots die gedrevenheid of furie weet te combineren met een drang naar precisie zoals een Zwitsers uurwerkmaker. Het maken van een groot gebaar weet hij te concretiseren met een perfecte uitvoering. In zijn schetsen legt hij er de nadruk op dat zijn ontwerpen ontstaan vanuit een intense observatie van organische aspecten uit de dieren- of plantenwereld. Toen hij in juni 1997 een boek signeerde tijdens een treinrit van Brussel naar Luik maakte hij een schets op twee pagina’s, een tekening waarbij de basisvorm van het nieuw station wordt gecombineerd met een duif en een menselijk gelaat.

Dat hij zoveel kansen kreeg in Valencia heeft te maken met de ambitie van de overheid om met grote nieuwbouwprojecten de toeristen te lokken. De concurrentie met de andere Catalaanse stad Barcelona is steeds heftig geweest. Valencia haalde in 2007 de America’s Cup binnen en op één jaar tijd werd een nieuwbouw opgetrokken ontworpen door David Chipperfield Architects. Ook de Formule 1 wedstrijden werden met veel budgetten naar Valencia getransfereerd. Het kon niet op, in Valencia was de sky the limit!. Tot de crisis in 2008 kwam en men eindelijk ging beseffen dat men boven zijn stand leefde en dat te veel geld naar prestige projecten is gegaan. Valencia is vandaag failliet.

In zijn tekst verwijst Hendryckx naar Calatrava’s ereloon van 94 miljoen euro en hij merkt hierbij op dat de advocaten van de architect de vergoeding omschreven als ‘eerder bescheiden’. Het is wel een fors bedrag maar rekening houdend met de grote return op toeristisch gebied is het ereloon niet overdreven. Hoeveel mensen werden reeds naar Valencia gelokt met de gebouwen van Calatrava? Op elke folder of website staan zijn creaties. Bedenk even dat hij alles in de Spaanse stad Bourgos had kunnen bouwen!
Wat heeft het Guggenheim project van Frank Gehry in Bilbao reeds niet opgebracht voor de plaatselijke economie? Als men weet wat top filmsterren voor één rol in een productie als mega ereloon krijgen, dan is de vergoeding van Calatrava te verdedigen. Architecten als Calatrava zijn “superstars” geworden omdat zij gebouwen afleveren die perfect passen in een strategie van citymarketing. Vaak spreekt men van het “Bilbao-effect”, politici die befaamde architecten inhuren om hun stad op de toeristische kaart te zetten. De verschijning moet spectaculair zijn als uitdrukking van ambitie en dynamiek. Het moet opvallen, anders is de architectuur waardeloos!
De gebouwde omgeving kan men niet ontlopen. Men gaat op reis om een veelheid aan motieven, van natuur tot cultuur in de breedst mogelijk spectrum. De stad die zich in Europa het sterkst profileert als citytrip bestemming is Barcelona met als “de” attractie het werk van architect Antoni Gaudi. Hoeveel miljoenen toeristen bezochten reeds Park Guëll en de Sagrada Familia kerk? Het werk van de Catalaanse bouwmeester Gaudi is werkelijk een goudmijn voor de stad. Het verschil is wel dat het ereloon van de gelovige Gaudi wel bescheidener was dan dat van Calatrava. Gaudi werkte met passie aan de Sagrada Familia, in de eerste plaats om zijn plaats in de hemel te verdienen. Bij Calatrava zullen wel meer wereldse motieven bepalend zijn geweest.

Marc Dubois
Augustus 2013.

Tekening Calatrava
Getekend in boek “Santiago Calatrava – Ingenieur-Architektur / Birkhäuser / 1989” tijdens de treinrit Brussel – Luik voor de presentatie van zijn ontwerp voor Luik Guillemins 11 juni 1997 (27 × 49 cm)




Toyo Ito te Brugge 2002-2013

Datum : 21 augustus 2013
U kan de PDF van het artikel hier downloaden

Tekst met foto’s: zie PDF

Met de publicatie van mijn opiniestuk in De Standaard van vrijdag 2 augustus betreffende de schrapping van het Ito paviljoen te Brugge van de lijst van beschermde monumenten kwam het debat weer op gang. Voor een goede afloop is het wel te laat!

In De Morgen van zaterdag 3 augustus geeft Sofie Van Lommel een overzicht van de voor- en tegenstanders van het paviljoen onder de titel: Brugge blijft Bokrijk.

In De Standaard van zaterdag 3 augustus schreef Maarten Goethals (redacteur van de krant) een reactie op mijn tekst met als titel “Een hautain stuk aluminium”.

Barbarij in Brugge **
De beslissing van minister Geert Bourgeois (N-VA) om het paviljoen van Toyo Ito in Brugge te declasseren, is een jammerlijke stap in de richting van afbraak vreest Marc Dubois.

Brugge was in 2002 Culturele Hoofdstad van Europa. De stad kreeg een nieuwe brug aan de Coupure en een uniek concertgebouw op het Zand. Op voorstel van de vereniging ARCHIPEL kreeg de Japanse architect Toyo Ito (°1941) de opdracht om in de open ruimte tegenover het stadhuis een paviljoen te bouwen.
Sinds de Franse Revolutie en het slopen van de monumentale Sint Donaas kathedraal bleef deze locatie leeg. Na eeuwen verloor het plein haar gesloten karakter. Het litteken van afbraak is nog steeds aanwezig en een nieuw bouwvolume kwam er nooit. Begrijpelijk, op deze plaats waar ooit de schilder Jan Van Eyck werd begraven kan men toch geen hotel optrekken!

Ongeveer 99% van wat de mens bouwt ontstaat vanuit een functie, een concrete behoefte waaraan het ontwerp moet beantwoorden. Volgens de befaamde Oostenrijkse architect Adolf Loos behoren enkel het monument en de graftombe tot de wereld van de architectuur, de rest moet men rangschikken onder het louter bouwen. De functie van een monument is het vasthouden van het geheugen van een plaats. Het paviljoen van Ito behoort tot die 1% en bezit nauwelijks een functie. Het is een stuk poëzie om het daglicht zichtbaar te maken. Poëzie is steeds fragiel, het gaat om de essentie.

Als een Japanse tuin

Ito ontwierp niet enkel een subtiel aluminium frame uitgevoerd met een groot vakmanschap, de keuze van een ronde waterpartij is even essentieel. Het is zoals in een Japanse tuin, het horizontale en het verticale vormen één geheel. Met de waterpartij verwijst hij naar de oorspronkelijke centraalbouw van de Sint Donaas, de langste richting van het paviljoen is een verwijzing naar het schip van de kerk. Water en licht zijn de symbolen van het leven, zonder dit, geen bestaan op deze wereld. Het spel van reflectie tussen het watervlak en de verticale transparante wanden gaf een subtiel effect. Maar zonder water gaat alles verloren.
Een grotere gelaagdheid kan een ontwerper niet aanbrengen, daarin ligt juist het meesterlijke van Ito’s ontwerp. Het paviljoen is letterlijk verankerd met de geschiedenis van Brugge. Ito zag het als een eerbetoon aan Van Eyck, de meesterlijke schilder die het licht wist vast te houden en te sublimeren. Een mooiere daad van respect en waardering voor het verleden valt nauwelijks voor te stellen. Met zijn ontwerp legt Ito een band met wat onder de grond ligt, wat niet zichtbaar is. Een ontwerp dient om het onzichtbare zichtbaar te maken, om vanuit de geest van de plek te handelen, de “genius loci”.
In plaats van dit pareltje te koesteren werd moedwillige elk onderhoud ontzegd vanuit kortzichtigheid. Na veel discussies werd het paviljoen in maart 2007 op de monumentenlijst geplaatst. Het fel verloederd paviljoen blijft voor sommige Bruggelingen, ook politici, een miskleun die zo vlug mogelijk moet verdwijnen. De druk om het paviljoen te schrappen van de monumentenlijst nam toe zonder dat men enige pogingen deed om de essentie van het project te duiden. Dat men geen voeling heeft voor architectonische poëzie geeft de tegenstanders nog niet het recht om dit werk te vernietigen.

Verplaatsen= vernietigen
__
Toyo Ito behoort tot de wereldtop van de hedendaagse architectuur en kreeg dit jaar de Pritzkerprijs, zowat de Nobelprijs voor architectuur. Het is ook zijn enige werk in België. De afbraak en het eventueel verplaatsen van het paviljoen staat gelijk aan het vernietigen van dit uniek werk van Toyo Ito. Dat de minister in rustige zomertijd dit besluit neemt versterkt het vermoeden dat men het paviljoen wil opruimen. Schrapping staat gelijk aan het afwijzen van subsidie voor een renovatie. Hopelijk ziet burgemeester Renaat Landuyt in dat het slopen in de internationale vakpers als een vorm van cultureel barbarisme zal worden omschreven. Wil Brugge zo in de buitenlandse pers komen? De Japanners zijn welkom in Brugge voor hun centen, maar enig respect voor één van hun grootste bouwmeesters is niet mogelijk. Wat een kortzichtigheid!Waardering voor het fragiele is in onze samenleving vaak ver te zoeken of zoals de schrijver Lucebert het formuleerde “Alles van waarde is weerloos”. De enige plaats voor het paviljoen is de Burg!

Marc Dubois
Hoofddocent LUCA / KULeuven

Ziehier zijn tekst en mijn antwoord:

Een hautain stuk aluminium

Het onzichtbare zichtbaar maken. Het subtiele mysterie tussen licht en duisternis fluisterend ontlokken en tegelijk, in de kwetsbare pracht, sacraal bezweren. De fonkelende oneindigheid van het extatische moment in één blik eeuwig vastleggen. Uit deemoed, overmoed of beate devotie.
Dat doet kunst. Toch volgens de definitie van Marc Dubois, de architect die gisteren in deze krant van leer trok tegen de barbarij in Brugge. Hij hekelt – onterecht – de beslissing van Geert Bougeois (N-VA) om het vervallen, geroeste paviljoen van Toyo Ito te declasseren.
De metalen constructie staat op de Burg, het historische centrum van de stad, en beroert sinds 2002 de gemoederen. Nog steeds doet het dat, in tegenstelling tot de bouw van het concertgebouw, uit dezelfde periode: aanvankelijk schreeuwde iedereen moord en brand over het oranje gedrocht, maar na enkele jaren kwam de berusting, zelfs enige trots.
Niet zo met het fragiele werk van de Japanse kunstenaar. Want eeuwig onbegrepen. Te ver gezocht. Intellectueel hermetisch, emotioneel kil. Gatlelijk nog eens. En verschrikkelijk duur in aankoop en onderhoud.
De liefde van de Bruggeling, nochtans een gevoelige, verwonderlijke ziel, bloeide nooit open. Net omdat het paviljoen niet waarmaakte wat kunst vermag volgens Dubois: ontroeren, meevoeren, het transcendente spel van licht tijdelijk in de immanentie van het aluminium vangen. Daarvoor was het kunstwerk zelf te opvallend, te aanwezig, hautain en provocerend. Afstandelijk ook, en lachwekkend. De ruimte die het creëerde voor de waarheid van het onzichtbare, werd overschaduwd door de vijandigheid die het opriep.
Vijandigheid? Omdat verdedigers van het paviljoen alle Bruggelingen die de zogenaamde subtiliteit en klasse niet meteen begrepen, neerzetten als wereldvreemde zotten. Als boeren, Barbaren – ook nu weer door Dubois.
Een bijzonder slecht idee. Want was Brugge de stad niet die de Fransen in 1302 te lijf ging omdat de vrouw van de bezetter zich laatdunkend en denigrerend uitliet over de inwoners?

Aan Maarten Goethals **
Geachte Heer redacteur,

Zoals U als redacteur weet krijgt een opiniestuk meestal een ”kop”door de redactie van de krant. In mijn tekst staat te lezen “Hopelijk ziet burgemeester Renaat Landuyt in dat het slopen in de internationale vakpers als een vorm van cultureel barbarisme zal worden omschreven“. Dit is gericht naar politici en beleidsverantwoordelijken en niet als een laatdunkende of denigrerende opmerking naar de bewoners van Brugge.

In uw tekst verwijst U naar de grote weerstand tegenover het Concertgebouw van Robbrecht & Daem. Het gebouw werd uitgespuwd door de meest Bruggelingen en bij de opening ging de belangstelling naar de afwaaiende dakpannen.“Het oranje gedrocht”, zoals U het volume omschreef, was de juiste keuze van de architecten. Wie vanaf het Belfort naar de stad kijkt ziet een landschap van rode dakpannen. Ik stelde toen vast dat veel Bruggelingen niet eens vanuit deze locatie naar hun geliefde stad hadden gekeken. In plaats van een gevel in beton, staal en veel glas kozen de ontwerpers voor terracotta, een traditioneel materiaal. Als dit geen vorm van respect is! Als lid van de jury verdedigde ik steeds dit ontwerp en was er vast van overtuigd dat Brugge een unieke concertruimte zou krijgen op internationaal niveau. Een goed project moet steeds enige weerstand ondergaan, anders is het maar de grijze middelmaat.
Vanuit geen enkele partij werd de moeite gedaan om het paviljoen van Ito te verdedigen. Omdat het tijdelijk was moest het verdwijnen maar een concreet kwalitatief voorstel ter vervanging ligt tot op heden niet eens op tafel. Of wordt het toch een extra pétanque baan zoals sommigen in Brugge dat wensen?
Hoe kon men van Ito’s creatie genieten als men deze moedwillig elk onderhoud ontzegde en het vertikte het watervlak te bestendigen. Natuurlijk kon het de emoties niet waarmaken gezien de opzettelijke verwaarlozing. Zonder het watervlak is het project geamputeerd. Zoals vier wielen aan een auto essentieel zijn om te kunnen rijden, zo vormt het watervlak één geheel met de aluminiumconstructie met de transparante wanden. Ik stuur U in een andere mail beelden die ik nam in 2002 of 2003. Wat een visueel genot!
Elk werk met waarde heeft enige gelaagdheid, een diepgang. U kan dit als intellectualistisch beschouwen, ik zie dit als een vorm van inlevingsvermogen, als een bewijs dat het niet gaat om een oppervlakkig product.

Uw vergelijking met 1302 is schitterend. Ik stel voor de Brugse stadspoorten opnieuw in gebruik te nemen om ongewenste invloeden te kunnen tegenhouden. Om intellectuele Japanners tegen te houden, enkel deze met centen die in Brugge bier en chocolade gaan consumeren krijgen vrije toegang. Misschien kan U voorstellen aan de Heer Bourgeois om dat idee op te nemen in het N-VA partijprogramma. Een halt aan buitenlandse invloeden is noodzakelijk om het Vlaamse ras te beschermen.

Toch nog even dit detail. Volgens U is het een “geroest paviljoen”. Aluminium roest niet! Zelfs niet “hautain” aluminium! Het wordt tijd dat U even naar uw gelieve geboortestad gaat kijken om de niet aanwezige roestplekken op te sporen. Of zit er roest in uw geest?

Met groeten,
Marc Dubois




Groen rond Gentse Stadshal

Datum : 10 augustus 2013
U kan de PDF van het artikel hier downloaden

The Green aan de Gentse stadshal

In De Streekkrant van 12 juni stond een artikel “The Green maakt gelukkig” en dit naar aanleiding van een studie dat groen een belangrijke factor is in de stedelijke omgeving. Daarbij een foto van de groene omgeving rond de nieuwe stadshal die bij zonnig weer intens in bezit wordt genomen.
In de zelfde editie schrijft Luk De Bruyker in zijn column onder de titel “’t es altijd ….Wa!” met enig leedvermaak dat de stadshal toch niet de Mies van der Rohe Award heeft ontvangen en dat de jury uiteindelijk koos voor de opera van Oslo (in feite ging de prijs naar het HARPA gebouw in Reykjavik). Dat er een project uit Gent bij de vijf finalisten behoorde is op zich reeds een prestatie, wetende dat er meer dan driehonderd inzendingen waren!. De stadshal werd ook opgenomen in de overzichtspublicatie van de Award en de rondreizende expositie van deze officiële prijs van de Europese Unie zal te zien zijn in verschillende Europese landen. Een promotie voor Gent waarvoor het stadsbestuur niet eens hoeft te betalen!
Dat de stadshal van Robbrecht / Daem / Van Hee in de internationale vakpers grote waardering geniet is een feit. Zelfs veel tijdschriften kozen het project voor hun cover (‘d Architecture uit Frankrijk, Abitare uit Italië en A+U uit Japan).

Gentenaars blijven klagers en vergeten soms te snel. In 2004 werd een tweede wedstrijd georganiseerd voor de Gentse centrumpleinen. De groep rond wijlen Romain Berteloot opteerde voor een stenen vlakte met een kleine grasstrook in strookjes en een paar bomen aan het stadhuis. Zie je reeds de jeugd liggen in dit rasterpatroon? Bekijk even de foto’s van de andere inzendingen van de wedstrijd. Gelukkig zijn wij gespaard gebleven van deze voorstellen. Gelukkig kan de jeugd zich nu bij zonnig weer neervlijen op de golvende graszone. Liever een “Green” dan bomen voor het stadhuis die gedurende zes maanden een naakte verschijning opleveren!.
En dan maar blijven klagen omdat er op de Korenmarkt geen bomen staan….. Beste Luk, bekijk even de oude postkaarten van deze site. Er stonden nooit bomen op de Korenmarkt, nooit! En als men bomen zou plaatsen zouden de café uitbaters er tegen zijn…..en zeg nu eens eerlijk wie wil nu, met ons beperkt aantal zonnige dagen, onder de bomen te zitten, in de schaduw. De Korenmarkt is geen stedelijk plein in de Provence!.

Marc Dubois
Juni 2013.




Mies van der Rohe Golfclub Krefeld

Datum : 21 juni 2013
U kan de PDF van het artikel hier downloaden

Golfclub MIES 1:1

Project van Mies van der Rohe uit 1930 in Krefeld
Voor Ludwig Mies van der Rohe (1886-1969) is de persoon van Hermann Lange meer geweest dan een doorsnee opdrachtgever. Beiden leerden elkaar kennen in Berlijn juist na de oorlog. Mies ontwierp in Krefeld het woonhuis Lange rn Esters evenals een fabriek. Voor de dochter Lange richtte hij samen met Lilly Reich in 1930 een Berlijns appartement in. In 1934-1935 volgt het woninghuis voor de zoon Ulrich Lange, een voorstel dat niet werd gerealiseerd.
In 2006 werd op vraag van de kleindochter Christiane Lange door de architecten Robbrecht & Daem Architecten een tijdelijke “interventie” aangebracht in Haus Lange (1927-1930). Voor een paar maanden kreeg het interieur dat verbouwd was om kunstexposities te presenteren opnieuw de intimiteit van de woning. Voor de eerste maal werden de meubelen die Van der Rohe ontwierp samen met Lilly Reich tentoongesteld, stukken die nog steeds familiebezit zijn. Toen ontstond het idee om het ontwerp van de Golfclub te bouwen op schaal 1:1.
Hermann Lange behoorde tot de “Krefelder Freunde”, een netwerk van industriëlen met een grote culturele interesse. Via de connecties van Lange kreeg Mies van de Rohe de invitatie om een voorstel te formuleren voor een golfclub, een gebouw op een open terrein “Am Egelsberg”, ten noorden van Krefeld. De andere architect die een werd uitgenodigd was August Biebricher uit Krefeld. De bouwprijs werd geschat op 150.000 Reichsmark, een bedrag dat men niet kon samenbrengen als gevolg van de Grote Depressie (Great Depression). Het bleef bijgevolg een ontwerp.
Het Mies van de Rohe archief in het MoMa New York bezit twee versies met een erg verschillend concept. Van het eerste voorstel zijn er enkel een aantal schetsen. Het volume is gedeeltelijk ingegraven in een kleine heuvelrug en bezit bovenaan een cirkelvormig paviljoen, een soort belvedère van waaruit men een uitzicht heeft op het golfterrein. Het tweede voorstel is volledig bovengronds en het dakpaviljoen is verdwenen. Het is dit project dat de basis vormt van de huidige (re)constructie.
Voor veel Mies kenners is het golfclub ontwerp een cruciaal project in het oeuvre samen met het Barcelona paviljoen (1929) en de woning Tugendhat in Brno (1928-1930). Op het einde van de jaren ’20 bereikt hij de volle maturiteit, weet hij zijn visie en vormentaal te concretiseren in een aantal meesterwerken: het subtiel ontwikkelen van fluïde ruimtes met een minimum aan architectonische middelen. In tegenstelling tot beide andere projecten gaat het bij de golfclub om een vrijstaand bouwvolume met een 360 graden uitzicht op het landschap.

« Ceci n’est pas une reconstruction » wel een “objet d’architecture”.
__
Op 200 à 300 meter na is de inplanting identiek aan deze van 1930; een licht golvend landschap dat nu grotendeels beschermd is als natuurgebied. Robbrecht & Daem benadrukken dat het niet gaat om een reconstructie zoals dit het geval is geweest in de jaren ’80 in Barcelona. Het gaat niet om een gebouw, maar om het realiseren van een “objet d’architecture”. Het begin was een intense lezing van de tekeningen die zich bevinden in de MoMa collectie te New York. Wat is er wel en niet aanwezig op de documenten? Wat suggereerde Mies en hoe moet men daarmee omgaan? Tot waar kan men interpreteren zonder de geest van het ontwerp te vernietigen? Op de plannen van Mies staat geen informatie betreffende de keuze van de materialen. Zag Mies het geheel met wit bepleisterde muren, zoals de computersimulaties die in 2011 werden gemaakt en gepubliceerd?. Of moest de golfclub worden opgetrokken in baksteen zoals de woning Lange en Esters? Wat men niet kon opmaken uit de tekeningen werd ook niet gebouwd. Van het volume voor de golfleraar en de bijhorende accommodatie werd enkel de buitenwanden opgetrokken. In de delen waarover men niets weet, bijvoorbeeld de omkleedruimte en het bureelgedeelte, is zand aangebracht als vloer. Omwille van de kostprijs is er geen glas voorzien, enkel de vensterkaders in hout. Op het grondplan hebben de terrassen een rasterpatroon van 1 × 1 meter terwijl het interieur een egale bevloering suggereert, mogelijks linoleum. In de perspectieftekeningen daarentegen is het rasterpatroon doorgetrokken, een continuïteit in materiaalgebruik tussen buiten en binnen zoals in het Barcelona paviljoen. Zoals in Barcelona en Brno koos Mies voor kruisvormige kolommen maar elke verwijzing naar materiaal of detaillering is afwezig. Om budgettaire reden werd gekozen voor een inox bekleding en niet voor chroom.

Een tijdelijke constructie

Aangezien het gaat om een tijdelijke constructie voor vijf maanden lag het voor de hand om multiplexplaten te gebruiken. In het ontwerp zijn er drie vrijstaande wanden die vermoedelijk door Mies, in analogie met het Barcelona paviljoen, bedacht zijn in een meer kostbaar materiaal zoals marmer of onyx. Om dit te suggereren werden deze wanden vernist in tegenstelling tot de andere die een lichte witte verflaag kregen.
Op een aantal tekeningen is een auto aanwezig waarmee de richting wordt aangegeven van waaruit de site wordt benaderd. Ook de lange luifel die steunt op “zeven” kolommen versterkt het gevoel van aankomen vanuit Krefeld. Het eerst uitzicht is een 80 meters gesloten gevelvlak en geen enkele glasstrook, het uitzicht op het landschap wordt radicaal afgeschermd. De plaatsing van de frontale wand met rechts de inkomdeur heeft volgens sommigen enige verwantschap met de traditie van het aanbrengen van grote textieldoeken aan de inkom bij de Afrikaanse Zoeloe woning en dit als teken van verwelkoming. Het hoofdaccent anno 2013 ligt op beleving vanaf de inkom “Halle” via een tussenzone met zicht op het terras om te eindigen in de ruimte die Mies omschreef als “Saal” met een ruim zicht op het landschap. Deze ontmoetingsruimte is opgedeeld in twee zones met daartussen een vrijstaande muur. Zoals in Barcelona voorzag Mies reeds in de ontwerpfase het introduceren van een sculptuur, een liggende torso op een sokkel, ditmaal aan de rand het terras.
Het project Golfclub 1:1 is veeleer een “pseudo-memorial”, een bewandelbare maquette die de bezoekers toelaat te genieten van de fluïde ruimteontwikkeling en de generositeit waarmee het landschap wordt opgenomen in het interieur. Robbrecht & Daem wilden vooral het fysiek genot creëren, de mogelijkheid om te kunnen bewegen in deze ruimte die sinds 1930 enkel bestond als tweedimensionaal document.
Tot 24 oktober 2013 kan men deze unieke ervaring beleven. Nadien wordt het geheel afgebroken.

Marc Dubois

Bibliografie
Christiane Lange, Ludwig Mies van der Rohe & Lilly Reich / Furniture and Interiors, Hatje Cantz, Ostfildern, 2006.

Wolf Tegethoff, Die Villen und Landhausprojekte von Mies van der Rohe / Wohnen in einer Neuen Zeit, MoMa & Kaiser Wilhelm Museum, New York & Krefeld, 1981.

Christiane Lange, Ludwig Mies van der Rohe / Architektur für die Seidenindustrie,
Nicolai Verlag, Keulen / Berlin, 2011.

Tekeningen MoMa New York / Archief Mies van der Rohe.
Foto’s project Mies 1:1.

www.projektMIK.com
www.robbrechtendaem.be **




Nieuw VOKA gebouw in Gent

Datum : 21 juni 2013
U kan de PDF van het artikel hier downloaden

Nieuw VOKA gebouw in Gent *Een gevel als symbool voor transitie en beweging

Vandaag wordt het nieuw VOKA gebouw aan Gent Zuid, nabij de VOORUIT, in gebruik genomen. Volgens directeur Geert Moerman gaat het om een “opmerkelijk gevel”, een gevel als symbool voor transitie en beweging. Wat dit statische banden te maken hebben met beweging is een raadsel.
Dat het exterieur wordt opgemerkt door de functieloze streepjes is zeker. Iedereen die via de Kuiperskaai en Gent Zuid de stad verlaat ziet het bouwvolume met de compleet nutteloze strepen op zijn of haar netvlies. Deze architectuur heeft niets vernieuwend en is een zuivere vorm van opsmuk operatie. Dat een stadsbestuur op een dergelijke visuele toplocatie een bouwvergunning gaf blijft een gemiste kans. Mijn kritiek op deze constructie gaf ik reeds op de website van KNACK
VOKA Gent wordt een strik zonder betekenis / Knack
dinsdag 03 april 2012

http://weekend.knack.be/lifestyle/wonen/architectuur/voka-gent-wordt-een-strik-zonder-betekenis/article-4000076244991.htm

Marc Dubois
22 april 2013




Bank Delen aan de Gentse Coupure

Datum : 22 april 2013
U kan de PDF van het artikel hier downloaden

De Gentse Coupure mismeesterd door Delen Private Bank **
De laatste bankier met visie op architectuur in België zal vermoedelijk baron Lambert zijn geweest. Voor zijn nieuwbouw in Brussel deed hij beroep op Gordon Bunshaft. Het was tevens de eerste grote buitenlandse opdracht voor SOM, het Amerikaans bureau waaraan Bunshaft verbonden was. Nu is dit beeldbepalend gebouw aan de Marnixlaan, vlak bij de Warande en het Koninklijk Paleis, de hoofdzetel van de ING Bank. Het blijft één van de topwerken van de Belgische architectuur. Een tweede initiatief uit de banksector om tot kwalitatieve architectuur te komen vond plaats in de jaren ’80 toen de BAC Bank aan een aantal jonge architecten een opdracht gaf om kleine bankfilialen te ontwerpen. Architecten als Robbrecht /Daem, Coussée & Goris, Beel, Van Hee en anderen kregen de gelegenheid interessante filialen te bouwen. Voor wat betreft de grote Vlaamse Bank KBC met hun “huisarchitect” Michel Jaspers en Partners kan men enkel besluiten dat het een opeenvolging is geweest van gemiste kansen. Na de CERA hoofdzetel, beter gekend als het “Witte Huis” op de Leuvense grote ring, bouwde Jaspers de pompeuze hoofdzetel aan de Brusselse Havenlaan. De schuine KBC toren in Gent heeft meer met opsmuk te maken dan met architectonische kwaliteiten.
Delen Private Bank bouwt in Gent
In de sector van de “privat banking” is de Bank Delen een begrip in België. In 2011kreeg Bank delen van Euromoney de onderscheiding van “Runner up best Private Bank in Belgium’ en vierde de bank haar 75ste verjaardag. Hun core-business is het adviseren en beheren van groot privékapitaal. Voor haar Gentse zetel kocht de bank een statig herenhuis aan de Gentse Coupure dat eigendom was van het Belgische Leger. Het terrein links was open en mocht worden bebouwd. In de grote tuin werden rijzige bomen gekapt om plaats te maken voor een parking. Voor dit project organiseerde de bank in 2010 een beperkte wedstrijd met als jury de eigen beheerders. De deelnemers kregen nadien de mededeling dat er uiteindelijk werd gekozen voor het Gentse bureau Bontinck, Architecture & Engineering. Van een jury verslag of motivering van de keuze was er geen sprake. Vermoedelijk heeft dit commercieel architectenbureau een grote financiële portefeuille bij deze bank en kon de directie geen andere keuze maken.
Het bestaande pand werd gerenoveerd en op het vrije terrein verscheen een banaal volume met onderaan een doorrit. Aan de straatzijde is er een verticale glasstrook voor een panoramische lift en een groot wit gevelvlak met daarin twee openingen. Een minder geïnspireerde gevelcompositie kan men zich niet voorstellen. Het is net of de bank een gesloten kluis bouwde om haar centen te verstoppen! Wie langs de Coupure wandelt kan vaststellen dat een algemeen kenmerk van deze site het verticale raamtype is. In het nabijgelegen appartementsgebouw “De Kanaalhuizen”, met onderaan kantoorruimte, ontworpen door de architecten Robbrecht & Daem wordt dit raamtype aangewend vanuit een respect voor het algemeen karakter van deze site.
Sinds 1981 is de Coupure door de Vlaamse Overheid beschermd als stadsgezicht. Beeldbepalend voor de bebouwing is het verticale ritme van de gevels. Samen met de rijzige, verticale platanen, is dit het hoofdkenmerk van dit stadsdeel. Dat de Stad Gent een bouwvergunning heeft gegeven aan een dergelijke lompe oplossing valt niet te begrijpen. Het gaat niet om mooi of lelijk, om subjectieve argumenten. De nieuwbouw beantwoord niet aan het karakter van deze site. Op de website van de architecten staan veel binnenzichten, een beeld vanaf de Coupure valt niet te bespeuren.
In de Veldstraat wordt een bouwheer door de Dienst Monumentenzorg verplicht om bestaande en oninteressante gevels te bewaren, met als argument dat de verticale geleding de bepalende factor is van het straatbeeld. De Veldstraat is geen beschermd stadsgezicht in tegenstelling tot de Coupure.
Graag had ik van architect Dirk Boncquet, directeur van de Dienst Monumentenzorg van de Stad Gent, vernomen welke de kwaliteiten zijn van dit Bontinck project en op welke wijze dit project zich inpast in een beschermd stadsgezicht. Misschien kan men de argumenten ook mededelen aan Schepen Tom Balthazar, bevoegd voor bouwvergunningen, om hem er over te informeren dat in een beschermd stadsgezicht in Gent ongeveer alles kan, als je maar de juiste architect weet te kiezen. Het project aan de Coupure geeft mij te indruk dat bepaalde architectenbureaus in Gent een voorkeurbehandeling genieten. Of ben ik verkeerd?
De dynastie Bontinck heeft in Gent reeds verschillende miskleunen op haar palmares staan. Het Zuidproject, in samenwerking met het bureau Van Acker, is wel het ergste wat Gent is overkomen. Terwijl velen zaten te zeuren over de Stadshal werd de Coupure op een onverantwoord wijze “mismeesterd” met medeweten van Dienst Monumentenzorg. Een debat of reactie op dit bouwproject kwam er niet!

Marc Dubois
Maart 2013.




50 Jaar Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen

Datum : 17 maart 2013


Openbaar Kunstbezit vierde in 2012 haar 50ste verjaardag.




J.-J. Eggericx, Gentleman Architect (1884-1963)

Datum : 09 januari 2013


J.-J. Eggericx, Gentleman Architect (1884-1963)
Tentoonstelling en monografie




J.-J. Eggericx, Gentleman Architect (1884-1963)

Datum : 01 januari 2013
U kan de PDF van het artikel hier downloaden

J.-J. Eggericx, Gentleman Architect (1884-1963)
Tentoonstelling en monografie