25 jaar MUHKA in Antwerpen

Datum : 15 november 2012
U kan de PDF van het artikel hier downloaden

25 jaar MUHKA in Antwerpen

“ Ceci n’est pas une musée”.

Maandag j.l. programmeerde de TV zender EEN de documentaire betreffende het ontstaan van het MUHKA, Museum Hedendaagse Kunst Antwerpen. Het was een interessant verhaal met daarin het hoofdaccent op de oprichting van het ICC in het Koninklijk Paleis op de Meir. De bezielende kracht was Flor Bex die in dit statisch gebouw een tsunami van tentoonstellingen bracht om de diverse aspecten van de actuele kunststromingen een platform te geven. Het ICC werd een begrip maar eindigde in een schorsing van Bex en een sluiting. De grootste ontgoocheling voor Bex was getwijfeld het slopen van het pand langs de Kaaien waarin de jonge Amerikaanse kunstenaar Gordon Matta-Clark (1943-1978) zijn laatste werk realiseerde. Het idee om een nieuw museum te combineren met dit werk werd niet meer mogelijk. Een uniek gemiste kans voor Antwerpen.

Bex was eerlijk en erg duidelijk, hij kreeg zijn museum als compromis. Als tegenprestatie voor het beëindigen van een juridische procedure kreeg hij van de liberale minister voor Cultuur Karel Poma “zijn” museum op Antwerpen Zuid. Poma had ook een voortel, een pand inclusief de architect. Ik heb mij toen erg verzet tegen de aanstelling van Michel Grandsart als architect, zoals ook veel andere architecten en de AU (ArchitectenUnie). Een overheidsopdracht bekomen omdat hij de connecties had met de eigenaar van een pand was niet correct. De verbouwde silo is in mijn ogen een mislukking geworden omdat het industrieel karaker totaal verdween achter de witte bepleistering. In de documentaire kwam ook Luc Deleu aan het woord en benadrukte het industrieel karakter van het pand. Van de ruwe zeggingskracht van het beton bleef door de ingreep van de architect niets meer over. Na 25 jaar mag men ook de vraag stellen: wat heeft die GRAND s (ART) nadien nog geproduceerd?
Anno 2012 verloopt de aanstelling van een ontwerper voor een overheidsgebouw op een totaal andere wijze. Met de “Open Oproep” van de Vlaamse Bouwmeester is een opmerkelijke verbetering gekomen in de opdrachtentoekenning en de architectonische kwaliteit. In de documentaire stelde Bex voor om het gehele gebouw te verkopen aan de privé sector om op deze locatie luxe appartementen te bouwen. Met de opbrengst kon men op een andere locatie opnieuw beginnen. Hij voegde daar aan toe dat zijn opvolger deze piste niet verder heeft onderzocht.
In bijlage het artikel dat ik in 1985 schreef voor het Nederlands vakblad Wonen / TABK. Een stuk geschiedenis en ook ergernis.

Marc Dubois
November 2012.




Façadisme slaat toe in Gent!

Datum : 01 november 2012
U kan de PDF van het artikel hier downloaden

Façadisme slaat toe in Gent!
Anno 1767. Een zekere graaf Emmanuel –Ignace d’Hane dient een aanvraag in bij het Gentse stadsbestuur om een ruime woning te bouwen in de Veldstraat. Hij krijgt echter geen bouwvergunning omdat het bouwvolume te groot is en hij krijgt het advies van het stadsbestuur om zijn programma te bouwen achter de gevels van bestaande kleine middeleeuwse huisjes. Graaf d’Hane is razend en beslist om toch zijn royaal bemeten hotel te bouwen. Twee eeuwen laten plaatst men dit bouwwerk op de monumentenlijst!
Wie ervaart in de Veldstraat anno 2012 het Hôtel d’Hane-Steenhuyse als een te groot en misplaatst volume? Is dit een schaalbreuk zonder weerga en een verminking van de stad? Toen architect Léon Stynen in de jaren ’60 de opdracht kreeg van de kledingsgroep C&A om een nieuw winkelpand te bouwen, eveneens in de Veldstraat, maakte hij een gevelcompositie waarbij er een relatie is tussen binnen en buiten. Vandaag neemt niemand aanstoot aan deze gevel, misschien komt die ooit op de monumentenlijst! Vermoedelijk zou de befaamde Antwerpse architect van de stedelijke ambtenaren nu geen vergunning meer krijgen en zou men voorstellen de nieuwbouw achter bestaande gevels te construeren.
In de Veldstraat is men recent gestart met de bouw van een groot commercieel complex dat in totaal vijf kleine panden in beslag neemt. Het eerste wat men deed waren de ramen toemetselen om de stabiliteit bij het slopen te bekomen. De eigenaar moet alles verstoppen achter de bestaande gevels, een dwingende eis met extra meerkosten. Dat men waardevolle gevels gaat bewaren kan ik zeer goed begrijpen, maar deze vorm van gevelbehoud drukt enkel een reactionaire attitude uit. Niets mag veranderen in het stadsbeeld, zelfs al gaat het om gebouwen die op architectonisch vlak niets te betekenen hebben. Vanwaar komt deze angst? In plaats van de opdrachtgevers te verplichten om een kwalitatieve oplossing uit te werken kiest men voor een banale oplossing. In de grote winkelstraat van Innsbruck ontwierp architect David Chipperfield recent een sobere gevel voor een groot winkelcomplex.
De Dienst Monumentenzorg en de personen die een bouwaanvraag beoordelen moeten zich dringend bezinnen met wat zij bezig zijn. Deze vorm van façadisme is een uiting van creatieve armoede of van angst. Met een dergelijke attitude werkt men niet aan de toekomst. Juist de gelaagdheid die elke eeuw aanbrengt in een stad maakt de rijkdom van het stedelijk weefsel.
Marc Dubois
1 november 2012




Jaarboek Architectuur Vlaanderen

Datum : 06 oktober 2012
U kan de PDF van het artikel hier downloaden

Jaarboek Architectuur Vlaanderen

De Engelse tiende editie van het Jaarboek Architectuur Vlaanderen “Radicale Gemeenplaatsen / Europese architectuur uit Vlaanderen” werd officieel voorgesteld tijdens de recente opening van de Architectuurbiënnale in Venetië. Begin september werd het boek in Vlaanderen gepresenteerd, ditmaal in Aarschot in de ’s Hertogenmolens, een schitterende transformatie en uitbreiding door de noArchitecten. Dit project werd ook weerhouden in de basisselectie van het boek.
Het formaat en het concept van het boek is veranderd. De publicatie is verkrijgbaar met drie verschillende covers. Het eerste deel is een beeldessay van de weerhouden projecten door verschillende fotografen. Soms sterk documentair, soms een zeer eigenzinnige kijk van de fotograaf op het gebouw. In het eerste essay gaat Aglaée Degros in op de “revitalisering van de Vlaamse infrastructurele publieke ruimte” en als eerste voorbeeld wordt uitvoerig het Stadsontwerp Hessenberg in Nijmegen (NL) gepresenteerd. Wat dit voorbeeldig project van AWG hier komt doen zal voor veel lezers een raadsel zijn. Ook het tweede voorbeeld, de dierenartsenpraktijk Malpertuus van De Vylder, Vinck & Taillieu, is een boeiend project maar de band met de publieke ruimte erg vaag. De villa in Buggenhout van het bureau Office Kersten Geers David Van Severen wordt door Degros omschreven als een soort “pro-publieke” ruimte. In feite gaat het om een woning op een verkaveling waarbij de architecten teruggrijpen naar een “palladiaans” gestructureerd planconcept dat men kan aantreffen in de woningen die Charles Vandenhove in het begin van de jaren ’80 bouwde. Een terechte selectie is het VOKA gebouw van Office Kersten Geers David Van Severen (i.s.m. bureau Goddeeris) omdat volgens mij een kwalitatief kantoorgebouw werd gerealiseerd met een gering budget (hierover wordt in het Jaarboek stelselmatig gezwegen!). Of dit project volgens Degros “geheel en volledig aansluit bij de logica van het Vlaamse landschap” is voor mij een raadsel. Veel interessanter was geweest dit VOKA gebouw te vergelijken met het nabij gelegen kantoorgebouw van Leiedal uit de jaren ‘70. “Architectuur voor stadsverniewing” van André Loeckx en Els Vervloesem daarentegen bezit een heldere opbouw met in het verhaal ook voorbeelden uit Gent (Brugse Poort) en Kortrijk (K shoppingcentrum en woontoren). Stefan Devoldere belicht in “Een aangepast woonkader” diverse aspecten van het wonen met daarin twee voorbeelden die uitvoerig worden gedocumenteerd. De verbouwing van een eerder banale fermette in Sint-Eloois-Winkel door 51N4E is één van de boeiendste gebouwen van de voorbije jaren. Het gaat hier niet om het oude tegenover het nieuwe te plaatsen, het bestaande wordt als waardig onderdeel gezien van het totaal project. Devoldere bespreekt ook woning Rotelenberg in Oudenaarde van De Vylder, Vinck & Taillieu en de reeds vermelde woning van Office. Onder de titel “Gemeenplaats en classicisme” komt Dirk Somers terug op het begrip “gemeenplaats” dat Geert Bekaert introduceerde om de Belgische (Vlaamse) architectuur te vatten. Somers stelt “Zoals de gemeenplaats niet houdt van het doctrinaire, zo voelt de nevelstad niets meer voor betweterige gebouwen”. De woning in Opwijk van Marie-José Van Hee en het wijkcentrum Brugse Poort van De Smet Vermeulen Architecten krijgen van Somers het label van “gemeenplaatselijke imitatie”. Wat de Vlasmarktbrug komt doen in dit verhaal van “gemeenplaats” is niet duidelijk. Maarten Delbeke belicht in “De gevel in de stad” het interessante gegeven van de gelaatsuitdrukking van een gebouw. Om dit verhaal te verduidelijken werd gekozen voor projecten van Robbrecht & Daem, De Smet Vermeulen, Meta en B-Architecten .
De bijdrage van Axel Sowa “Auf Holzwegen” gaat in op de materialiteit en het houtgebruik in het bijzonder. Hier fungeert de reeds vermelde dierenartsenpraktijk als centraal project. In “Habitus en weerbarstigheid” gaat Christian Kieckens in op het werk van Marie-José Van Hee, de kleine schaal van een groots oeuvre. Haar woningen ontstaan vanuit een grote sensibiliteit rond ruimte en licht die bepalende factoren zijn in het creëren van een woning. Bij haar geen opgelegd strak planconcept zoals in de woning van Office in Buggenhout.

Ellis Woodman’s essay legt de nadruk de ontwikkeling van het Eilandje in Antwerpen waarbij de twee torens ontworpen door Diener en Diener uitvoerig worden gedocumenteerd, echter zonder één beeld van het interieur. In “De tempel en de fabriek” gaat Christoph Grafe, hoofdredacteur van het boek en directeur van het VAi, in op het MAS van Neutelings Riedijk Architects en de C-Mine te Genk van 51N4E. In zijn verhaal komen ook deSingel en de nieuwe bibliotheek te voorschijn.
In het voorlaatste essay “Stedenbouw (en architectuur) volgens artistieke principes” gaat Guy Châtel in op de Gentse Stadshal van Robbrecht / Daem / Van Hee. Zijn verhaal start bij Camillo Site en de transformaties die onder burgemeester Braun werden gerealiseerd. Wat de auteur vergat te vermelden is dat 25 jaar geleden voor deze site een internationale wedstrijd werd georganiseerd in het kader van de viering 125 jaar Sint Lucas, een initiatief waar voor de eerste maal het idee van een stadshal te voorschijn kwam.
Tot slot belicht Pieter T’Jonck zeer uitvoerig de uitdagingen waarmee onze hoofdstad wordt geconfronteerd en dit onder de titel “What about Brussels?” . Het is geen fraai verhaal, wel een opsomming van gemiste kansen. Onder de titel “Lichtpunten?” belicht T’Jonck bondig de drie studies “Brussel 2040” die recent werden gemaakt door 51N4E, KCAP en Secchi-Viganò. De problematiek betreffende de inplanting van drie grote shoppingcentra wordt onvoldoende benadrukt.
De formule van de essays geeft aan het geheel het karakter van een leesboek. Bij de vorige editie zag men glashelder welke de selectie was van de voorbije twee jaar. Alle documenten die een project moeten documenteren stonden bij elkaar. Nu worden plannen en foto’s over het gehele boek gestrooid. Wat niet duidelijk is welke gebouwen er nu door de redactie werden weerhouden en op welke basis andere projecten werden afgewezen. Van het VAi mag men verwachten de selectie sterker te motiveren. Aan de basisselectie zal niemand aanstoot nemen, MAS en C-Mine zijn projecten die met kop en schouders de productie in Vlaanderen overstijgen. Er zijn echter ook gebouwen die in het boek ontbreken en die een bijdrage zouden kunnen leveren aan het debat over architectuur en stedenbouw in Vlaanderen.

Marc Dubois
6 oktober 2012.




Biënnale Venetië

Datum : 13 september 2012
U kan de PDF van het artikel hier downloaden

Vlaanderen prominent aanwezig in Venetië.

e internationale Architectuurbiënnale Venetië koos Sir David Chipperfield als thema “Common Ground”. Met dit begrip wil hij de nadruk leggen op gemeenschappelijke affiniteiten tussen mensen onderling, tussen ontwerpers, tussen architecten en de plaats waar zij werkzaam zijn. Het is een sterk Europees gerichte biënnale met een accent op het delen van ideeën als basis van een architectonische cultuur. Ditmaal zijn de verleidelijke computerpresentaties afwezig, het accent ligt op wat het bindend element kan zijn voor de ontwerpende mens. Met uitzondering van Lord Fosters presentatie, geen overvloed aan videobeelden. Chipperfield maakte persoonlijke keuzes zoals een pelgrimsroute met symbolische gebouwen in Mexico of een groep die werkt rond de herbestemming van de luchthaven Tempelhof in Berlijn. Ook fotografie is ruim aanwezig.

De enige Belgen die door Chipperfield werden geïnviteerd zijn Paul Robbrecht, Hilde Daem en Marie-José Van Hee. De samenwerking van Robbrecht & Daem met kunstenaars was bepalend voor hun uitnodiging. Het plafond van hun ruimte is een werk van Christina Iglesias. Op drie schermen worden films getoond van de kunstenaar Maarten Vanden Abeele en interviews met o.a. Chris Dercon en Anne Teresa De Keersmaeker. Een film toont de bouwfase van de Gentse Stadhal, het project dat ook aanwezig is in de vorm van een grote maquette. Schitterende beelden, een grotere citypromotie kan Gent zich nauwelijks voorstellen. Terwijl sommige Gentenaars zitten te zeuren over de nieuwe stadshal wordt dit uitzonderlijk project internationaal gewaardeerd. Ook de maquette van het Middelheim paviljoen te Antwerpen is te zien. Van Hee reduceerde het volume van een woning in Zeeland tot een houder voor een postkaart en een folder met foto’s, info die de bezoekers kunnen meenemen. Deze presentatie is gelijktijdig genereus en bescheiden.
Binnen de selectie van het Engels bureau Caruso St.John is werk uit Vlaanderen opgenomen: Bovenbouw Architectuur (Dirk Somers) uit Antwerpen. Ook werk van Martine De Maeseneer was te zien in Venetië.
De Gouden Leeuw voor de beste inzending ging eerder onverwacht naar de groep Urban-Think Tank. Zij waren betrokken bij het “Torre David” project in het stadshart van Caracas. Een onafgewerkt 45 verdiepingen hoge skyscraper van een bank werd door de bevolking in bezit genomen. Hoe de mensen zich hebben georganiseerd in deze verticale toren is fascinerend.

Álvaro Siza kreeg de Gouden Leeuw 2012 voor zijn gehele oeuvre en bouwde in de tuin van het Arsenale complex “buitenkamers” rond bomen. De muren maken het licht zichtbaar, een ode aan de natuur.
Voor de landeninzendingen kreeg Japan de Gouden Leeuw. Architect Toyo Ito (de ontwerper van het Brugs paviljoen!) en een equipe van jonge architecten werkten na de tsunami ramp aan een nieuwe strategie voor de heropbouw. Hoe architectuur een “common ground” vormt met de bevolking. De meeste landen kozen voor een onderwerp dat affiniteiten heeft met het algemeen thema. Duitsland en Estland kozen als thema’s levensduur en hergebruik van gebouwen, Frankrijk voor het probleem van de grote ensembles rond de steden. Rusland was een promotiestand voor een wetenschapspark waar “star” architecten werden ingekocht om het geheel een status te geven. In deze Biënnale deed ook de I-Pad haar intrede als medium voor toelichting.

Nederland koos ditmaal niet voor een complexe vraagstelling. De installatie RE-SET van Petra Blaise bestaat uit bewegende gordijnen die het interieur van het paviljoen ontworpen door Gerrit Rietveld permanent transformeren. Het is een poëtische ingreep en een ode aan het licht.

In het Belgisch paviljoen, juist gelegen naast Nederland, is het verhaal veel complexer. Ditmaal was Vlaanderen aan zet in het Belgisch paviljoen met als titel “The Ambition of the Territory”. In opdracht van het VAi en de Vlaamse Bouwmeester brengt “Architecture Workroom Brussels”, samen andere partners, een visie op het gebruik van beschikbare ruimte in Vlaanderen. De vraag is welke ambitie wij hebben met ons territorium en hoe daarin de landbouw al dan niet een toekomst heeft. Kunnen wij landbouw en productie samenbrengen met huisvesting? Het bureau De Vylder Vinck Tailleu zoekt naar nieuwe mogelijkheden vanuit de typologie van de oude vierkantshoeve. Zelfs Vanthemsche van de Boerenbond mag zijn verhaal brengen in het paviljoen. Het gaat niet over verdichting van onze steden, wel over hoe om te gaan met agrarische- en tussenzones. Volgens de curator Joachim Declerck kan Vlaanderen als labo fungeren voor deze Europese problematiek van grondbestemming. De presentatie is eerder saai en men kan zich de vraag stellen of buitenlandse bezoekers deze problematiek kunnen vatten. De grote tekening van Studio Grootens, een interessante driedimensionale weergave van Vlaanderen, zal bij velen overkomen als behangpaper. Deze expositie wordt later dit jaar gepresenteerd in deSingel te Antwerpen.
Tijdens de opening werd ook de Engelse versie van het Jaarboek Architectuur Vlaanderen gepresenteerd en het Spaans tijdschrift 2G nam de gelegenheid te baat om een themanummer rond Office Geers & Van Severen voor te stellen. De architectuur in Vlaanderen staat in de internationale belangstelling. Er zijn andere tijden geweest! Het 102 jarige Duits tijdschrift Bauwelt bracht een nummer uit rond Vlaanderen met woningen van De Vylder Vinck Tailleu en Marie-José Van Hee. Ook de Gentse Stadhal wordt geplaatst binnen een tekst van Christoph Grafe, directeur van het VAi (Vlaams Architectuurinstituut).
Voor wie deze architectuur tsunami teveel wordt is er nog een expositie in Fondazione Cini. Wie Venetië zegt denkt direct aan het glaswerk van Murano. Tussen 1932 en 1947 maakte architect Carlo Scarpa voor Venini schitterende glasobjecten. Hij gaf aan de eeuwenoude traditie een moderne dimensie. Scarpa ontwierp in 1957 ook de Olivetti shop aan het San Marco plein, een pareltje dat recent weer te bezoek valt na restauratie. Het is meer dan een toonzaal voor schrijf- en rekenmachines, het brengt in compacte vorm de kosmos van Venetië. Ook hier is België aanwezig met een stuk “marmo belga”, een pikzwarte steen waarover water vloeit.

Marc Dubois

Architectuurbiënnale Venetië tot 25 november 2012.
www.labiennale.org




Een dak is nog geen volume

Datum : 13 september 2012
U kan de PDF van het artikel hier downloaden

Een dak is nog geen volume.

In DS van 8 september j.l. gaat Koen Van Synghel in zijn bijdrage “Fundamentele Architectuurkritiek” in op de Gentse Stadshal van Robbrecht / Daem / Van Hee en maakt hij de vergelijking met de overkapping die de Italianen Secchi-Vigano ontwierpen voor het Schouwburgplein in Antwerpen. Van Synghel merkt op dat men in Gent “bijna twee (of drie?) meer materiaal nodig heeft om een vergelijkbaar symbolisch dak boven het hoofd te bouwen, dan kan je afvragen of de stadshal wel architectuur van de 21ste eeuw is”.
De auteur maakt echter in zijn vergelijking een fundamentele vergissing. De stedelijke ruimte gesitueerd vóór de Antwerpse Schouwburg is wel ijl, maar wordt toch ervaren als een plein waar wekelijks een markt wordt gehouden en dat nuttig is voor andere stedelijke activiteiten. De geschiedenis en de situatie in Gent is compleet anders. De zone tussen Belfort, Stadhuis en Sint Niklaaskerk werd ervaren als een leegte, een gat in de stad als gevolg van het slopen van twee stedelijke bouwblokken. Het “gat” heeft nog steeds drie namen: Poeljesmarkt, Gouden Leeuwplein en Emile Braunplein. Het gebied in het Gentse stadshart heeft een gekartelde rand in vergelijking met het plein in Antwerpen met een rechthoekige vorm. In Gent geen plaats voor een marktgebeuren, het was jaren een parking, een kleine groenzone en een gebied waar de mensen haastig doorliepen.

Wat waren de mogelijkheden om deze stedelijke ruimte te corrigeren in Gent? Een reconstructie van de bouwblokken zoals die er waren? Dit was niet mogelijk gezien de lange bussen en trams die door het centrum moeten. Een stenen plein met daarop een paar bomen is ook geen oplossing om tot een schaalverbetering te komen. Het ontwerp van Robbrecht / Daem / Van Hee is de juiste keuze. Het is een vorm van “stedelijk reparatie”, fouten uit het verleden worden hersteld op een eigentijdse wijze. De ervaren leegte transformeren om tot een juiste schaalverhouding te komen. Een hoofdkenmerk van elke historische, middeleeuwse stad zijn de korte perspectieven. Het zijn de modernisten uit de jaren zestig die zware verminkingen hebben aangebracht. De tegenstanders van de stadshal zijn voor een open vlakte, juist voorstanders van de fouten die in de jaren ’60 tot stand kwamen. Gedurende eeuwen bleef de kleine korrel de magische kracht van de binnenstad, tot de modernisten kwamen om te slopen. Het van op afstand zien van middeleeuwse monumenten is onnatuurlijk.
In Antwerpen was de stedenbouwkundige problematiek compleet anders. Om de ijle sfeer te verminderen werd gekozen voor een groot dak op uiterst ranke kolommen. Bij regenweer vormt het dak een bescherming voor het marktgebeuren. Het is een elegante oplossing van Secchi-Vigano die ook internationaal wordt gewaardeerd. Maar met een dergelijke oplossing kan men geen correctie aanbrengen die om een volume vraagt. Een dak is nog geen volume!

Marc Dubois
12 september 2012.




Middelheim Antwerpen 2012

Datum : 13 september 2012
U kan de PDF van het artikel hier downloaden

Middelheim 2012
Frisse blik of een “présentation terrible”

Middelheim 2012 is een mooie editie geworden: het inkompaviljoen van John Körmeling, de brug van Ai Weiwei en het schitterde paviljoen “Het Huis” van Paul Robbrecht & Hilde Daem met daarin het poëtisch keramisch werk van Thomas Schütte. De opstelling van de sculpturen in deze nieuwe ruimte draagt direct bij tot intense ervaring, een genot om het weerbarstig gevecht met de klei intens te beleven. Het werk van Philippe Van Snick is van een aangrijpende aanwezigheid terwijl een argeloze voorbijganger niets zal zien. Een grotere tegenstelling met het nieuw werk van Roman Signer valt nauwelijks te bedenken. De “skischans” en het betonnen volume nemen visueel een groot deel van de tuin in beslag. Signer is een boeiende kunstenaar maar dit werk is eerder zwak. In het Braem Paviljoen worden werken uit de collectie van het Middelheim gepresenteerd in een scenografie van Bernhard Wilhelm en Jutta Kraus, in de brochure getypeerd als de “enfants terribles” van de internationale modewereld en studenten van de Antwerpse modeacademie. In de tekst ook de mededeling dat zij kozen voor een “minder conventionele aanpak”, “een verrassende en avontuurlijke kijk op de collectie” en “een frisse blik”.
Wat betekenen deze uitspaken? Wie een dergelijke opdracht krijgt om een selectie uit de collectie te presenteren gaat in de eerste plaats in op de vele aspecten die een rol spelen bij een installatie: afmetingen, materiaalkeuze, historische waarde, compositie van het beeld, enz. Niets daarvan in het Braem paviljoen. Gele schoenovertrekken om op een geel tapijt te lopen. Welke surplus geeft dit om een tijdelijke relatie met de beelden aan te gaan? Het aanbrengen van een hoge boekenkast in de vorm van een boom is een element dat werkt in de ruimte. De opties die men nam om de kunstwerken te tonen zijn erg problematisch. Een beeld van Alberto Giacometti is een kist steken en een werk van Käthe Kollwitz plaatsen op een hoogte van twee meter is ongehoord. Het werk van Jean Arp is enkel te zien via een ladder die men niet kan of mag gebruiken: dit is zelfs schandelijk. Van een zinloos concept gesproken!. De wijze waarop Christian Kieckens in 2004 het werk van Arp presenteerde in de BOZAR was van een andere orde. Zijn scenografie was zonder spektakelgehalte maar met een groot respect voor het oeuvre.
Wat centraal staat is het concept van Wilhelm & Kraus zijn niet de kunstwerken. Ongetwijfeld hebben beiden een verhaal om hun concept te verantwoorden. De sculpturen worden hier als garnituur gebruikt om de focus te leggen op hun eigenzinnige inbreng. Hun houten zitobjecten lijken belangrijker dan een werk van Giacometti! In mijn ogen is dit ofwel een vorm van pretentie of wel van onkunde en dit alles in naam van een frisse blik, een avontuurlijke ervaring. Van scenografen mag men toch verwachten dat zij mogelijkheden weten aan te brengen om een intense band te laten ontstaan tussen sculptuur en kijker. Niet het ontwerp van de scenograaf moet centraal staan maar het werk van de kunstenaar. Een goede scenografie brengt het kader om de beleving te intensiveren, om de kracht die vervat ligt in het werk te openbaren, te expliciteren.
Wilhelm & Kraus kan ik enkel aanraden het oeuvre van de Italiaan Carlo Scarpa te bestuderen die tientallen installaties maakte voor de Biënnale van Venetië. Het waren steeds verrassende installaties omdat Scarpa vertrok vanuit de intrinsieke kracht van het kunstwerk en het respect voor de kunstenaar die het heeft voortgebracht. Dat het Middelheim in de valkuil is gelopen van opzichte presentatie in naam van originaliteit is pijnlijk vergissing. Het werd een “présentation terrible”. Als er één sector is waar opzichtigheid zwaar wordt geaccentueerd dan is het de modewereld. Tonen van kunst vraagt enige vorm van bescheidenheid en intelligentie.

Marc Dubois