Het Europees Parlement onder de sloophamer

Datum : 15 maart 2007


Op de dag van de opening van de expositie ‘A Vision for Brussels / Imagining the Capital of Europe’ in de Brusselse BOZAR (15 maart), in aanwezigheid van Guy Verhofstadt en José Manuel Barroso, presenteert het bureau Jaspers – Eyers & Partners tijdens de MIPIM beurs in de Franse badplaats Cannes hun voorstel voor een Twin gebouw in Brussel voor de Europese Gemeenschap. Wordt de toekomst van de Europese gebouwen beslist in deze mondaine Zuid-Franse stad?

Is dit toeval of een goed uitgekiende strategie van investeerders met medeplichtigheid van architecten die Brussel reeds decennia lang mismeesteren?

Twee projecten voor Brussel
Lobby of the European Central Libraey / Project Berlage Institude Rotterdam

Om de vijftigste verjaardag van de ondertekening van het Verdrag van Rome te vieren opteerde het Berlage Instituut uit Rotterdam om een paar jaar te werken rond het fenomeen van Brussel als Europese hoofdstad. Zestien architecten en stedenbouwkundigen werden betrokken bij dit project onder leiding van Pier Vittorio Aureli en de Belg Joachim Declerck. In totaal werden negen locaties gekozen, plekken in de stad die vragen naar een betekenisvolle invulling of bebouwing die Brussel als Europese hoofdstad moet versterken. Zeer terecht wordt opgemerkt dat een Europese hoofdstad pas haar rol kan vervullen wanneer naast de kantooroppervlakte er ook bijkomende culturele infrastructuur wordt aangebracht.

Nabij de actuele Europese wijk worden twee maal vier stroken met hoogbouw voorzien, een oplossing die affiniteiten heeft met de radicale voorstellen die de Duiter Ludwig Hilberseimer in de jaren ’20 formuleerde voor de nieuwe, moderne stad. Het is zeer twijfelachtig of dit de oplossing is voor de verbinding tussen de Leopoldswijk en het Jubelpark. Voor het Europakruispunt aan het Centraal Station wordt gepleit voor afbraak, een nieuwbouw met twee torens komt in de plaats. Aan de Ninoofse Poort zijn twee hoge torens voorzien en in de omgeving van het station Delta, nabij de VUB, is volgens de studie de geschikte plaats voor een “European University Centre”. In Anderlecht projecteert men een nieuwe versie van Paul Otlet’s Mundaneum concept, een grote Europese bibliotheek en talencentrum. De belangrijkste optie van het project is de keuze van het gebied van Thurn & Taxis als inplantingplaats voor een nieuw Europees Parlementsgebouw met bijhorende kantoren. Een gebouw met een lineaire, horizontale structuur met een groot dakterras waarop kolossale koppen zijn aangebracht van Europese denkers. Het is een realiteit dat de actuele Europese wijk te klein is geworden gezien de forse uitbreiding van de Europese Gemeenschap. De vraag is of dit wel een haalbare kaart is aangezien voor de locatie reeds andere opties werden weerhouden. Om al deze locaties met elkaar te verbinden wordt geopteerd een nieuwe metrolijn aan te leggen, een nieuwe “Cirkel Line” voor Brussel.

De hoofdbetrachting op termijn is het slopen van het huidige Europees Parlement in de Leopoldswijk, een zeer ambitieus uitgangspunt. Het met de grond gelijk maken van het meest volumineuze bouwwerk uit de 20ste eeuw in België is volgens de auteurs nodig om tot een louteringsproces te komen. Met dergelijke stelling haalt men zeker de krantenkoppen, is media aandacht zeker verzekerd. Maar wat brengt een dergelijke uitspraak bij tot een debat over de stad en Brussel als Europees centrum? In de perstekst staat wat het resultaat is van deze Berlage studie: “een concreet project voor Brussel als volwaardige Europese hoofdstad” met daarbij de centrale vraag of Brussel wel de geschikte plek is om als hoofdstad van Europa. In feite gaat het niet om een concreet architectuurproject, het is een “manifest” met radicale keuzes. Voor de curatoren Aureli en Declerck: “Zoals een manifest betaamt, is het helder en eenzijdig. Het is geen voorstel met zeven keuzemogelijkheden. Het stelt het debat scherp, en dwingt iedereen een positie in te nemen”. Men stelt het nog scherper “het is een antiliberaal manifest”. Volgens de curatoren krijgen politici en administratie “iets heel precies op tafel”, een toch erg betwistbare uitspraak. Hun voorstel is te nemen of te laten! Het meest voor de hand liggende scenario zal wel het “laten” zijn, omdat de radicale keuze om een dergelijk gebouw te slopen nu eenmaal compleet onrealistisch is.

Voor de Berlage groep is het project Brussel enkel denkbaar wanneer iets fundamenteels verandert in deze stad, een beslissingkracht die het collectieve besluitvorming ondersteunt. De tragedie is de traagheid waarmee wordt gereageerd, een dodend immobilisme. Het bundelen van inzet wordt teniet gedaan door tegenstrijdige belangen, door een grote versnippering. Vertel even aan een buitenlander die op het Rogierplien staat dat hij zich reeds buiten de stad Brussel bevindt of dat de Noordwijk niet eens tot het grondgebied van de stad Brussel behoort!

Het Europees Parlement staat er als een pronkerige creatie, een gebouw met een te grote footprint.. Een gebouw dat de gehele wijk heeft weggedrukt en door niemand geliefd is. Dit is geen uitspraak van een architectuurcriticus, dit komt glashelder tot uiting in de verschillende enquêtes die werden georganiseerd bij de inwoners van Brussel. Het project werd ons aangesmeerd als een glazen huis, het symbool van een transparante Europese instelling. Iedereen weet ondertussen dat dergelijke symboliek volksverlakkerij is, glas wordt gebanaliseerd en gelijkgeschakeld met democratie. Vraag even aan beleidsverantwoordelijken, publiek en zelfs aan architecten wie de ontwerper is van het Europees Parlement in Brussel? Wie heeft de basisvorm gegeven aan deze monsterlijke stedelijke operatie? Hierop zal geen antwoord komen. In vakkringen weet men dat het resultaat een zeer complex verhaal is van veel compromissen, waar ooit de eens eerbiedwaardige architect André Jacqmain en zijn Atelier de Genval betrokken zijn geweest om de buitenzijde wat op te smukken. Toen de eerste fas van het complex in aanbouw was gaven de Brusselaars dit glaspaleis de spottende naam van “Caprice des Dieux”, direct verwijzend naar de vorm van de gelijknamige gepasteuriseerde kaas zonder veel smaak.

Wat men van een gerenommeerde onderwijsinstelling als het Berlage instituut toch mag verwachten is het in kaart brengen van de verschillende factoren die bepalend zijn voor de Brusselse context. Deze pertinente vraag wordt niet gesteld maar ontweken. Waarom is Brussel als het ware impotent om beeldbepalende architectuur voor te brengen sinds de bouw van het Atomium? Welke mechanisme kan men duiden om te begrijpen hoe het Europees Parlement tot stand is gekomen? Het was zeker interessant geweest om de voormalige premier Jean Luc Dehaene en de voormalige directeur van de BACOB Bank aan het woord te laten. Zij zijn de geestelijke vaders van deze groots opgezette immobiliënoperatie. Gebouwen komen niet zomaar te voorschijn in een stedelijk landschap, het zijn de resultaten van grote vastgoedoperaties. Waarom hebben de Montois, de Jaspers en nog vele andere commerciële bureaus zulke impact gekregen in Brussel? Waarom werd tien jaar geleden het schitterende renovatieproject van Jean Nouvel voor het Berlaymontgebouw van tafel geveegd en koos de Regie der Gebouwen voor een locale architect?

Kan men een stad als Brussel vatten in een expositie.
Architectuur- en stedenbouwprojecten exposeren is steeds problematisch. Hoe kan men inhoud en beeld samen brengen waardoor het geheel toegankelijk wordt voor zowel professionelen als voor een ruim publiek?
Voor de presentatie in de BOZAR werd beroep gedaan op twee jonge architecten, Office Kersten Geers David Van Severen uit Brussel. De expositie bevindt zich in de architectuurruimtes en het voormalige Klein Theater, de verbindingszone tussen de boven en beneden verdieping van de BOZAR. Zij kozen voor een eerder klassiek ruimteconcept, het introduceren van een nieuwe ruimte in de aanwezige ruimte. De nieuwe wanden zijn uitgevoerd in witte canvas, opgespannen op een houten raamwerk. De expositie start met een projectie op groot formaat, een video gemaakt door Robin Ramaekers waarin zowel Guy Verhofstadt, Gerard Mortier, François Schuiten als Geert Van Istendael hun visie geven over Brussel. De tussenzone is een lange gang waar de bezoeker geconfronteerd wordt met een klankband met stemmen. Het eindpunt van de expo is een ruimte met zeer esthetische maquettes van de negen projecten. Terwijl een reële stad een verzameling is van een veelheid aan beelden “a place of irreducible diversity”, wordt voor deze presentatie gekozen voor een eerder saaie uniformiteit, het tegendeel van de geprezen veelheid die aanwezig is in de Brusselse samenleving. Om hun projecten te illustreren maakten de ontwerpers fotomontages met een uitgesproken ijle verschijning. Het is een methode van presentatie waarbij het concept scherp wordt gesteld terwijl elk concreet beeld van het gebouw wordt vermeden. Deze soort presentatietechnieken zijn erg in bij jonge ontwerpers en zijn terug te brengen tot presentatiemethodes die de Italiaanse groep Superstudio gebruikte en op Rem Koolhaas bij zijn eerste projecten. De beelden van de Brusselse projecten zullen bij een groot publiek veeleer bevreemdend overkomen, zoals het Mundaneum project met een ruimte met aan beide zijden gigantisch hoge boekenkasten. Bibliotheken met dergelijke muurwanden kan men aantreffen in 18de eeuwse bibliotheken maar zijn in een tijd van internet compleet achterhaald.

In tegenstelling tot de titel van de expositie wordt het woord “MANIFESTO” in positie gebracht voor de bijhorende publicatie, een uitgave van NAi Publishers (Rotterdam) en A+ Editions (Brussel). Het boek “ Brussels- A Manifesto / Towards the Capital of Europe” begint zoals elk manifest met een foto van een gehaat gebouw die men resoluut gaat doorkruisen. De keuze viel op het Swiss Re gebouw in Londen van Lord Norman Foster met als ondertitel “An ‘icon’ of world capitalisme. No to the architecture of capitalist realism!”. Dat Swiss Re een welstellende kapitalistische verzekeringsmaatschappij is weet iedereen, maar dit bedrijf wist met zijn architectenkeuze toch een beeldbepalend landmark toe te voegen aan de skyline van Londen. In Brussel is men niet zo ver geraakt, er werd gebouwd zonder visie en ambitie. Het enige wat telde was het zoveel mogelijk produceren van vierkante meters kantoorruimte en dan via zwaar lobbywerk het geheel te verkopen of langdurig te verhuren aan de Europese Instellingen. Maar gebouwen behoren al lang niet meer tot de opdrachtgevers of de gebruikers. Meer en meer zijn gebouwen eigendom van institutionele beleggers, van pensioenfondsen uit geheel Europa.

Men moet waardering opbrengen voor het intellectueel werk dat het Berlage instituut leverde met dit project. Anderzijds is hun uitgangspunt zo extreem dat het risico zeker bestaat dat beleidsverantwoordelijken het gehele project zullen catalogeren onder “niet haalbaar”. Zoals de projecten die in 2000 werden gemaakt voor “Vacant city” , in het kader van Brussel culturele hoofdstad van Europa” niets opleverden, zelfs niet eens een fundamenteel debat, is het zeer denkbeeldig dat deze nieuw reeks projecten door hun radicaliteit in de archieven zullen verdwijnen. De fundamentele vraag is of het opmaken van een manifest in deze complexe wereld nog enige vorm van draagkracht heeft, als uitgangspositie kan worden genomen om aan een stad te werken. Is de afstand van benadering met de actuele situatie die het Berlage project ons aanreikt niet te groot om enige kans op slagen te hebben, laat staan enige invloed om het tij te keren in Brussel?

In het boek zijn niet enkel de resultaten van de projecten opgenomen, ook een aantal bijkomende teksten ondersteunen het verhaal van Brussel. Géry Leloutre en Iwan Strauven geven een beknopt overzicht hoe er na 1945 is omgegaan met Brussel, van de euforische jaren zestig met de bouw van het World Trade Center tot de beweging van de reconstructie van de Europese stad. De slottekst voor dit manifest “For a new monumentality” werd geschreven door Elia Zenghelis.

Koning Boudewijnstichting patroneert immobiliënsector

Volgens De Standaard zal het Twin project na de première in Cannes, zoals dit past in de glamour wereld van de filmindustrie, ook in Brussel worden gepresenteerd. Het zou deel uit maken van de expositie “Building(s) for Europe” die vanaf 5 mei te zien is in het voormalig Luxemburgstation (t/m 30 september). Deze tentoonstelling past ook in de viering 50 jaar Europa en krijgt de steun van het Europees Parlement, de Europese Commissie, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en het Fonds Europese Wijk van de Koning Boudewijnstichting. Het zou onbegrijpelijk zijn dat de Koning Boudewijnstichting, deze toch eerbiedwaardige stichting, aan een initiatief haar volle medewerking verleent waar een puur speculatief bouwproject wordt gepresenteerd. Hopelijk nemen ook de andere instellingen de beslissing om dit louter immobilien project te weren uit een expositie in het kader van 50 jaar Europa in Brussel. Brussel maakt zich anders hopeloos belachelijk.

Heeft men zich eens de vraag gesteld waarom het grote volksfeest voor 50 jaar Europa op zaterdag 24 maart niet plaatsvond voor het gebouw van het Europees Parlement maar wel voor het Atomium? Dit is toch het glashelder bewijs dat het monster in de Leopoldswijk, het grootste Belgisch bouwwerk in de 20ste eeuw, een gehaat gebouw is. Dat er nog twee architectonisch erg bedenkelijke torens deze reeds zwaar gehavende stedelijk zone nog eens extra zouden pollueren is een stap te ver. De spiraalvormige opbouw met bovenaan de Europese logo is eerder banaal. Mag iedereen zomaal het symbool van de Europese Gemeenschap, de cirkel met de sterren, gebruiken voor een immobiliën operatie? In Antwerpen moeten met niet proberen de grote A te gebruiken om een vastgoedoperatie te slijten en te promoten. In Brussel kan dit allemaal!

Europa zit niet te wachten op creaties van het bureau Jaspers. Na het pompeuze Cera complex in Leuven, het KBC Paleis en nog veel meer andere constructies in Brussel is het toch duidelijk dat dit bureau enkel via zeer behendig lobbywerk telkens erin slaagt grote bouwprojecten binnen te rijven, zonder wedstrijden. Bij Jaspers geen debat over architectuur en stedelijkheid, bij hem gaat het om bouwen, het produceren van m². Vermoedelijk reikt de ambitie van Dexia niet verder dan het slijten van kantooroppervlakte aan de Europese instellingen. Als de Belgische beleidsverantwoordelijken geloven dat met bouwsels van Jaspers-Eyers & Partners de stad op de Europese architectuurkaart zal komen is men kompleet mis. Dat voor een nieuw Europees complex niet eens een wedstrijd wordt georganiseerd is hallucinant. Hopelijk komt hierop vlug reactie uit de wereld van de Europese architecten.

In De Morgen van 19 maart hoopt Geert van Istendael dat de wolkenkrabbers in de Wetstraat een simulatie blijven. Het zou wel eens anders kunnen verlopen, wie weet is de beslissing reeds genomen in Cannes.

In het kader van deze expositie wordt op 9 mei wordt een symposium georganiseerd rond vier thema’s.